
Wetsontwerp tot wijziging van de Inlichtingenwet en de Classificatiewet
Op 3 juni 2026 bracht het Comité R/I een wetgevingsadvies uit aangaande het wetsontwerp tot wijziging van de wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de wet betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, de veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst. Dit wetsontwerp bevat diverse maatregelen ter versterking van de bevoegdheden van de Veiligheid van de Staat (VSSE) en de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid (ADIV).
In zijn algemene beoordeling stelt het Comité de noodzaak te onderschrijven van een weerbare overheid die in staat moet zijn om het hoofd te bieden aan gevaren voor de nationale veiligheid. Daarom staat het Comité in principe positief tegenover wetswijzigingen die nieuwe bevoegdheden verlenen aan de VSSE en de ADIV, zoals bijvoorbeeld de keuze om aan de inlichtingendiensten voortaan bepaalde actiebevoegdheden te verlenen (het zogenaamd “verstoren van dreigingen”), daar waar hun rol ter zake voorheen binnen de veiligheidsketen ‘beperkt’ bleef tot het inwinnen, analyseren en doorgeven van inlichtingen. Ook al is dit een ware paradigmashift, het Comité is van oordeel dat de vermenging van inlichtingen- en actiedienst een legitieme keuze kan zijn, maar dat enerzijds de operationele noodzaak duidelijker moet aangetoond worden, en dat anderzijds in het belang van de handhaving van de democratische rechtsorde eveneens een versterking van de democratische controle op de inlichtingendiensten cruciaal is. Dit versterkt toezicht zal enerzijds een waarborg zijn voor de bescherming van de samenleving en van de rechten van individuele burgers, en zal anderzijds de inlichtingendiensten zelf behoeden voor onterechte verdachtmakingen. Over dit onderdeel heeft het Comité een nauwgezette en omstandige analyse verstrekt, en zijn diverse concrete adviesvoorstellen geformuleerd om het wetsontwerp niet enkel kwalitatief te verbeteren, maar ook om het ontwerp te laten voldoen aan de vereisten die gesteld worden in de Belgische grondwet en het Europees mensenrechtenverdrag.
Vervolgens wordt een advies verstrekt over volgende aangelegenheden:
- de opheffing van bepaalde beschermingsmechanismen binnen de informatiegaring ten opzichte van advocaten, artsen en beroepsjournalisten: het Comité formuleert hieromtrent ernstige bedenkingen en adviseert om hieromtrent de Ordes van advocaten, de Orde van artsen en de Vereniging van beroepsjournalisten te bevragen. Voorts beveelt het Comité aan om een overleg tussen de BIM-Commissie en vernoemde Ordes of Vereniging wettelijk te verankeren met als doel na te gaan welke door de inlichtingendiensten ingewonnen informaties onder het beroepsgeheim of het journalistieke brongeheim vallen;
- de ontwikkeling en het gebruik van artificiële intelligentie: het Comité is van oordeel dat er in de Inlichtingenwet bijzondere controlemechanismen dienen te worden ingeschreven voor wat betreft de ontwikkeling en de inzet van AI, waarbij onder meer de BIM-Commissie en het Comité R/I corrigerende bevoegdheden verkrijgen bij een onrechtmatig AI-gebruik (bv. op basis van AI wordt een persoon als gevaarlijk gekwalificeerd hoewel er hiervoor geen objectieve informatie voorhanden is);
- het inwinnen en verwerken van informatie afkomstig uit (semi-)openbare bronnen: het Comité erkent dat het voor de VSSE en de ADIV in bepaalde gevallen en onder bepaalde omstandigheden nuttig kan zijn om informatie in te winnen via commercieel verkrijgbare en publiek beschikbare data. Tegelijkertijd stelt het Comité vast dat er actueel onvoldoende juridische waarborgen bestaan binnen deze vorm van informatiegaring en -verwerking;
- de verstoringsopdracht en -bevoegdheden: het Comité dringt sterk aan om de voorgestelde opdracht te herformuleren, om de gehele verstoringsprocedure te herzien, om hierbinnen een sterkere externe controle in te richten, en om bepaalde verstoringsacties expliciet te verbieden (bv. foltering en onmenselijke of vernederende behandelingen, bv. politiemaatregelen uitvoeren). Verder stelt het Comité vast dat de verstoring tegenover politieke mandatarissen (ministers en parlementsleden) onder het wettelijk toepassingsgebied valt, zonder dat het wetsontwerp enige aanvullende procedurele waarborgen voorziet. Het Comité adviseert om dit het voorwerp van debat te maken en, desgevallend, om bijkomende procedurele voorwaarden in de wet te voorzien;
- het gemachtigd plegen van misdrijven door de inlichtingendiensten: in dit kader stelt het Comité onder andere voor om een wettelijk verbod op provocatie in te stellen (bv. het gebruik van informanten als agenten-provocateurs). Voorts adviseert het Comité om in het wetsontwerp rekening te houden met reeds plaatsgevonden wetgevende initiatieven waaronder het nieuw Strafwetboek en de wijzigingen met betrekking tot de Wegcode;
- de verplichte afgifte van overheidsinstanties, overheidsbedrijven en andere entiteiten van informatie aan de inlichtingendiensten: het Comité gaat akkoord met diverse juridisch-technische aanpassingen doch vraagt om ter zake een onafhankelijk externe controle in te richten. Zo stelt het Comité onder meer vast dat het wetsontwerp de onafhankelijke controle van de BIM-Commissie bij de inwinning van bepaalde vervoers- en reisgegevens schrapt;
- de strafrechtelijke medewerkingsplicht van eenieder bij de inzet van uitzonderlijke inlichtingenmethoden en bij de uitvoering van verstoringsacties: het wetsontwerp creëert een strafrechtelijk gesanctioneerde vorderingsbevoegdheid tot medewerking van derden bij de aanwending van uitzonderlijke inlichtingenmethoden en bij de uitvoering van verstoringsopdrachten. Op grond van beide bepalingen kan iedereen, in vredestijd, in het binnen- en buitenland, ongeacht zijn hoedanigheid (bv. politieambtenaren, leden openbaar bestuur), ongeacht een eventueel beschermd statuut (bv. minderjarigen, advocaten, journalisten, artsen), onder strafsanctie verplicht worden om mee te werken met de VSSE en de ADIV. Het Comité adviseert negatief en vraagt met klem om de gehele regeling ofwel geheel te herzien rekening houdende met diverse opmerkingen ofwel te schrappen;
- de actieve notificatieplicht: het Comité herinnert de regering eraan dat nog geen gevolg werd gegeven aan het arrest van het Grondwettelijk Hof waarbij de zogenaamde notificatieplicht om technische redenen werd vernietigd. Deze regeling voorziet dat de inlichtingendiensten verplicht zijn om personen in bepaalde gevallen en onder bepaalde omstandigheden in kennis te stellen dat ze het voorwerp uitmaakten van bepaalde intrusieve inlichtingenmethoden;
- de algemene declassificatieregeling: het Comité herinnert de regering eraan dat nog geen toezichthoudende instanties werden aangewezen binnen de algemene declassificatieregeling;
- de technische verkenning en proactief onderzoek in cyberspace, en de computervredebreuk: het Comité erkent de noodzaak aan een afdoende sterk juridisch instrumentarium voor de inlichtingendiensten binnen het bestrijden van dreigingen in cyberspace. Het Comité vraagt een aantal juridisch-technische aanpassingen;
- de toegang tot Europese databanken (EES, ETIAS en EURODAC): het Comité onderstreept het belang van een wettelijke regeling die op algemene wijze de materiële en formele voorwaarden bepaalt die van toepassing zijn bij de uitoefening van een toegangsrecht door de VSSE en de ADIV tot een centraal beheerde EU-databank waar de inlichtingendiensten over een toegangsrecht beschikken, en die vergelijkbare intrusieve persoonsgegevens bevatten;
- het inwinnen van satellietbeelden: in dit kader adviseert het Comité met aandrang om de nodige externe controle in te richten wanneer deze beelden privacygevoelig zijn;
- de inzet van intrusieve onderzoeksbevoegdheden teneinde de veiligheid van agenten te verzekeren tijdens inlichtingenoperaties: het Comité erkent het mogelijk nut van dergelijke bevoegdheden in dit kader maar vraagt per inlichtingenmethode dit nut effectief aan te tonen;
- de geheimhoudingsplicht geregeld in de Inlichtingenwet: het Comité vraagt om een aantal juridisch-technische verbeteringen aan te brengen;
- bepaalde procedurele verplichtingen ten opzichte van de niet-inwonende partner binnen een veiligheidsonderzoek: deze maatregel voorziet in een duidelijke wettelijke regeling voor individuele veiligheidsonderzoeken op de niet-samenwonende partner(s) van een persoon die een veiligheidsmachtiging behoeft en waarmee deze laatste een duurzame relatie heeft. Het vormt een uitvoering van de DPA-beslissing van het Comité van 3 februari 2026.
Tot slot herinnert het Comité eraan dat in het federaal regeerakkoord ook de wens werd uitgedrukt om het democratisch toezicht op de inlichtingendiensten te verscherpen. Hoewel de Memorie van Toelichting meermaals verwijst naar het toezicht door de bevoegde organen ter verzekering van de fundamentele rechten, stelt het Comité vast dat dit voornemen onvoldoende werd gerealiseerd in het voorliggende voorontwerp. Het advies bevat diverse voorstellen om hieraan tegemoet te komen.
Het Comité heeft ook een bijlage ingediend waarin er wijzigingen aan de Wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten worden aanbevolen om er meerdere bepalingen in op te nemen die het evenwicht versterken tussen enerzijds de actie- en verzamelmiddelen van de inlichtingendiensten en anderzijds de controlemiddelen van het Comité.
Deze wijzigingen versterken de democratische legitimiteit van de inlichtingendiensten door een effectief toezicht mogelijk te maken, waardoor de verantwoordelijke politieke autoriteiten en het publiek verzekerd zijn dat de grondrechten gerespecteerd worden, terwijl de operationele doeltreffendheid van de inlichtingendiensten behouden blijft.
